Op 15 mei 1952 werd een grote expositie in het Centraal Museum geopend met als thema Caravaggio en de Nederlanden. Tentoongesteld werden schilderijen van Caravaggio en tal van werken van Nederlandse schilders die nog nooit in Utrecht te zien waren geweest. Daarnaast werden 16 werken uit de collectie van het Centraal Museum getoond, van onder andere Jan van Bijlert, Paulus Bor, Hendrick ter Brugghen en Gerard van Honthorst.

De opening haalde zelfs de voorpagina van het Utrechts Nieuwsblad van 16 mei 1952. Bij de opening sprak J.W. Frederiks, de voorzitter van de Rijkscommissie voor de Musea. Hij moest constateren dat internationale tentoonstellingen onderwerp van discussie waren geworden. De voorstanders zien de grote betekenis van de culturele samenwerking. De tegenstanders erkennen die betekenis ook wel, maar zijn vol zorg voor de kunstwerken, die gemakkelijk schade kunnen lijden. Frederiks wilde bij die discussie een middenweg bewandelen, in het oog houdend dat "(...) oude kunstwerken ook wat rust moeten hebben, net als oude mensen. Deze tentoonstelling acht ik echter volkomen verantwoord, omdat er een wetenschappelijk belang van de hoogste orde mee gepaard gaat."

Hoewel het een bijzondere ervaring moet zijn geweest om enkele werken van Caravaggio in een Nederlands museum te kunnen zien, was dichter en kunstcriticus Jan Engelman minder enthousiast. In De Tijd van 21 juni 1952 schreef hij: "Helaas heeft men hierbij rekening te houden met het feit, dat het Utrechtse museum voor een expositie van grote 'machines', wat de werken van Caravaggio en zijn volgelingen voor het merendeel zijn, weinig geschikt is te noemen. Met zijn kleine zalen en gothische vensters mag het stemmige huisvesting bieden aan beelden en intieme schilderijtjes, die met strijklicht tevreden kunnen zijn, wat er thans is opgehangen vraagt om ruimte en om belichting volgens moderne opvattingen, en die zijn er niet te vinden. Verscheidene van die stukken zijn berekend op de werking van kerkruimte en paleiszalen, op gebouwen van vorstelijke allure. Brengt men ze in een museum, dan moeten er grote muurvlakken zijn, gezeefd bovenlicht en wat verder bij de apparatuur behoort. Roeiende met de riemen die men heeft, moet het 'hangen' te Utrecht een ware heksentoer zijn geweest, onder de huidige omstandigheden, en het resultaat is toch zodanig, dat men een zeer groot gedeelte van het geëxposeerde eigenlijk niet 'zien' kan. De afstanden zijn te klein en het licht spiegelt zo fel in de vernislagen, dat men niet weet wáár men zal gaan staan. Het museumprobleem van Utrecht moet nodig worden opgelost. Het denkbeeld, om de moderne afdeling te doen verhuizen naar het nieuw verworven pand aan de Maliebaan, biedt ook al geen uitkomst, want dit huis had veel beter tot receptiegelegenheid der gemeente bestemd kunnen worden, het is voor museum ongeschikt. Misschien dat men de werken van Caravaggio en zijn volgelingen behoorlijk had kunnen zien wanneer men er tijdig aan gedacht had, het Catharijneconvent deskundig te restaureren (...) . De opstelling die thans bereikt is kan men een internationaal publiek eigenlijk niet voorzetten."

Op de tentoonstelling hing ook het doek Christus in het huis van Martha en Maria van Johannes Vermeer, afkomstig uit de National Gallery in Edinburgh. Indertijd werd er, ook in de krantenrecensies, nog hardop aan getwijfeld of dat werk écht van Vermeer was.