Vrijdagmiddag 17 december 1954 opende wethouder H. van der Vlist in de grote tuinzaal van het Centraal Museum een tentoonstelling met werk van twaalf beeldende kunstenaars die opereerden onder de naam "Utrechtse Expositiegroep".

Naar aanleiding van het getoonde schreef Jan Juffermans sr., de kunstcriticus van het Utrechts Nieuwsblad: "De vooruitstrevende tendens, of wil men, het modernisme, blijkt de grootste gemene deler in hetgeen hier wordt te zien gegeven. Voor ’t overige valt hier van het “gevaar der uniformiteit”, waardoor volgens velen het modernisme wordt bedreigd, niet veel te bespeuren, want aan verscheidenheid ontbreekt het wel allerminst." Waarna hij het uitbundig coloriet van An Fely en de ingetogen schemeringen in het werk van Yo Bwan Tjang roemde, verrast was door zowel een verheugende synthese van artisanaat en artisticiteit bij Piet Kraus, als de poëtische verbeeldingen van Antoinette Gispen en het keramiek, even ingenieus als geestig van gestalte, van Luigi de Lerma, waarna hij stilstond bij de magisch-geheimzinnige evocaties van leven in de schemeringen onder water van J. Meine Jansen en de verdroomdheid bij Jo Stekelenburg.

Het was de eerste keer dat de groep in het Centraal Museum exposeerde, en de voorzitter van de groep, de schilder Remko Watjer, sprak bij de opening de hoop uit dat de tentoonstelling de weg zou openen naar een jaarlijkse expositie in het museum. Daarbij benadrukte hij dat in verband met de "sociale toestand van de kunstenaar" deze iedere gelegenheid moet aangrijpen om zijn kunst onder de aandacht van het publiek te brengen. De wethouder was het daarmee eens, want men moest zich als expositiegroep niet gaan blindstaren op de komst van één centrale tentoonstellingsruimte. Uit de woorden van de wethouder viel nog geen volledige "ombuiging van de waardering van progressieve kunst" (zoals hij het noemde) waar te nemen.

Het bleek ook de laatste keer te zijn dat de Utrechtse Expositiegroep in het Centraal Museum kon exposeren. Allengs begon het erop te lijken dat hedendaagse kunst niet welkom was in het museum. Het gevolg was dat jarenlang in de gemeenteraad [tot 2013 was het Centraal Museum een 'dienst' van de gemeente] kritiek werd geuit op de geringe aandacht die het Centraal Museum aan hedendaagse kunst besteedde , zowel bij het inrichten van tentoonstellingen als in zijn aankoopbeleid. Uiteindelijk adviseerde een museumcommissie de gemeenteraad om "(...) het inrichten van een educatieve expositie van blijvende aard van hedendaagse kunst" mogelijk te maken. Met een eigen leiding en een eigen budget en in een afzonderlijke ruimte, omdat men vreesde dat een collectie hedendaagse kunst in het Centraal Museum niet van de grond zou komen.

Vanaf 1966 werden op de gemeentebegroting bedragen voor deze collectie gereserveerd. Dat geld mocht ingevolge een besluit van de gemeenteraad uitdrukkelijk niet worden besteed door de toenmalige directrice van het Centraal Museum, mej. dr. Elisabeth Houtzager. Wouter Kotte werd benoemd tot hoofd van "Hedendaagse kunst Utrecht" (HKU) en van de ongeveer 200.000 gulden die opzij was gezet, had hij ten tijde van de opening in mei 1970 ongeveer de helft besteed. Op de eerste tentoonstelling was onder meer werk te zien van Alejandro Marcos, Lucebert, Aat Verhoog, Roger Raveel, Jacob Zekveld en Ton Klop.

In de aanvankelijke plannen uit 1965 werd gedacht aan een expositieruimte op de negende verdieping van de Neudeflat, maar uiteindelijk werd een pand aan Achter de Dom gehuurd en verbouwd. Het toenmalige Draaiorgelmuseum (nu opgenomen in het museum Speeldoos) en het Goud- en Zilvermuseum (waarvan later de klokkencollectie ook naar Speeldoos ging) zouden de naaste buren worden.

In 1990 werd de collectie van HKU ondergebracht bij het Centraal Museum, en hield HKU op te bestaan.

Collection in this exhibition

  • No objects from the Centraal Museum collection were shown in this exhibition

Questions?

Do you have a remark or extra information on this exhibition? Please let us know!