Willem van Konijnenburg (1868-1943) was in het tijdperk tussen de twee wereldoorlogen een van de meest vooraanstaande en gezaghebbende schilders van ons land. De vele belangrijke opdrachten die hij in deze periode heeft gekregen en de vele eerbewijzen die hem ten deel zijn gevallen, bewijzen hoe groot en onomstreden zijn reputatie toen was.

Op veel terreinen is hij actief geweest: hij schilderde, maakte spotprenten, ontwierp zomerpostzegels en gevelsculpturen, publiceerde kunsttheoretische geschriften, was adviseur van de Glasramen-Commissie van de Nieuwe Kerk in Delft, en ontwierp in de periode 1934-1941 de gobelins voor de aula van de Utrechtse universiteit, evenals het reliëf voor de hal van het Haags Gemeentemuseum. Koningin Wilhelmina (1880-1962) engageerde hem in 1920 als tekenleraar, maar constateerde na korte tijd dat er een 'bepaalde tegenstelling' was tussen haar en Van Konijnenburg.

Het werk van Van Konijnenburg kenmerkt zich door vrij zware symboliek, en de nogal duistere theorieën die daaraan ten grondslag liggen, hebben latere generaties niet meer kunnen bekoren. Ook de door hem gepropageerde stilering op basis van geometrische grondvormen raakte na zijn dood uit de belangstelling.

Hoe dan ook, Van Konijnenburg heeft een kwalitatief zeer hoogstaand en boeiend oeuvre nagelaten. Dat was voor de Rijksdienst Beeldende Kunst, het Centraal Museum en het Drents Museum aanleiding om een grote overzichtstentoonstelling te houden. Van 26 oktober tot en met 2 december 1990 was deze tentoonstelling in het Centraal Museum te zien.

Documentatie

  • Willem van Konijnenburg 1868-1943, Mieke Rijnders, Drents Museum, Rijksdienst Beeldende Kunst (Den Haag) (272 p.)

Collectie in deze tentoonstelling

Vragen?

Ziet u een fout? Of heeft u extra informatie over dit tentoonstelling? Laat het ons weten!