In 1988 kreeg Geurt Imanse van de Rijksdienst Beeldende Kunst de opdracht om een monografie te schrijven over de kunstenaar Albert August Plasschaert (1866-1941). Imanse constateert dat Plasschaert aan de vergetelheid is ontrukt dankzij het feit dat het Centraal Museum in 1973 een tentoonstelling over de beginjaren van de abstracte kunst in Nederland in de periode 1910-1925 heeft gehouden. Op die tentoonstelling werd voor het eerst sinds 1937 weer aandacht besteed aan Plasschaert.

Albert Plasschaert kan omschreven worden als een schilder, tekenaar en glazenier, maar ook als een ziener, dichter, ingenieur, musicus en een soort godsdienstleraar. Ook de beoordeling van zijn werk waaiert diverse kanten op. Zo zag de kunstcriticus Cornelis Veth "vreemde, uit een schijnbaar doelloos gekriebel onstane wirwarrige composities", noemde diens collega Wolf hem een "schilder van de meest mogelijk vooruitstrevende kunsttheorieën", omschreef een criticus van de Groene Amsterdammer hem als een "psychisch expressionist", hoewel één die te goeder trouw is, en meende Alberts neef A.C.A. Plasschaert, een vooraanstaande kunstcriticus, dat Plasschaerts kleurgebruik niet slecht is, maar dat de vorm veel te wensen overlaat.

De overzichtstentoonstelling in het Centraal Museum was gepland van 14 oktober tot en met 19 november 1989, maar werd wegens succes verlengd tot en met 7 januari 1990.

Collectie in deze tentoonstelling

  • In deze tentoonstelling waren geen objecten uit de collectie van het Centraal Museum te zien

Vragen?

Ziet u een fout? Of heeft u extra informatie over dit tentoonstelling? Laat het ons weten!