Over het museum
Nieuwsgierig naar onze organisatie? Lees meer over onze geschiedenis, medewerkers en duurzame ambities.
De geschiedenis van het museum begint in 1838, maar die van het gebouw aan de Agnietenstraat gaat nog veel verder terug. We nemen je mee langs kloosterzalen, stijlkamers, stallen, kunstwerken en verbouwingen. Ontdek hoe een middeleeuws klooster uitgroeide tot een museum waarin Utrechtse kunst, vormgeving, mode en geschiedenis samenkomen.
Het gebouw waarin het Centraal Museum nu is gevestigd, begon in 1422 als het Agnietenklooster. Dit klooster was gewijd aan de heilige Agnes en maakte deel uit van een stad vol religieuze gemeenschappen: in de late middeleeuwen telde Utrecht ongeveer dertig kloosters. De zusters leefden er grotendeels afgesloten van de buitenwereld. Hun dagen bestonden uit gebed, meditatie, kerkdiensten, handenarbeid en het werk in en rond het klooster.
Van het oorspronkelijke kloostercomplex zijn nog altijd bijzondere delen terug te vinden. De Foyer, vroeger de eetzaal van de zusters, is nu onderdeel van het museum. Daaronder lag de keuken, waar tegenwoordig het beroemde Utrechtse schip te zien is. Boven de Foyer bevond zich de slaapzaal; vandaag is dit het Utrecht Lokaal. Op de zolder van het Klooster huist nu het Dick Bruna Atelier. Zo is de middeleeuwse geschiedenis nog steeds voelbaar in het gebouw.
Na de Reformatie veranderde het klooster stap voor stap van functie. Rond 1600 werden er geen nieuwe zusters meer toegelaten; de laatste bewoners bleven nog tot ongeveer 1620. Daarna werden verschillende ruimtes verhuurd. Er werkten onder meer kunstenaars en ambachtslieden, en de Foyer werd gebruikt als feestzaal. In 1636 vond hier zelfs een feestelijke maaltijd plaats ter gelegenheid van de opening van de Utrechtse Hoogeschool, de latere Universiteit Utrecht.
Vanaf 1674 kreeg het complex opnieuw een maatschappelijke functie als Stadsambachtskinderhuis.
Kinderhuis, 1948
Daarnaast is de kapel bewaard gebleven, een dubbelkapel – architectonisch gezien een bijzonderheid door de ingebouwde verdieping. De benedenkapel was bestemd voor leken, de bovenkapel voor de zusters. Stichter van de kapel: Henrick van Doesborch (gestorven 1536); hij lag in de kapel begraven.
gebouwd in 1516 en tegenwoordig onderdeel van het museum. De kapel herinnert aan de kloostergeschiedenis en aan de heilige Agnes.
In 1754 werd er van de erfenis van Maria Duyst van Voorhout, vrijvrouwe van Renswoude, een nieuw pand gebouwd links naast het oude klooster. Deze Fundatie van Renswoude bood veelbelovende weesjongens een opleiding tot landmeter of graveur. In 1761 opent de Fundatie haar deuren voor de eerste 9 élèves (zoals de leerlingen heten). De Fundatie steunt nog steeds bijzondere opleidingen van jongeren.
In 1810 werd het weeshuis opgeëist door de Fransen en in gebruik genomen als militair hospitaal. De kinderen vonden een onderkomen in het voormalig Pagehuis van koning Lodewijk Napoleon, Achter de Dom. Zeven jaar later kunnen de kinderen weer terugkeren naar de Agnietenstaat.
Vanaf 1813 werd het Agnietenklooster ingericht als kazerne, en werd de plaats van de kinderen ingenomen door leden van ’s lands ruiterij en hun paarden. Er verbleven echter tot 1975 weeskinderen in het huidige kantoorpand (Agnietenstraat 1).
In 1835 werden nieuwe paardenstallen gebouwd langs de Utrechtse stadswal – ter vervanging van de stallen die in 1834 afbrandden.
De museumgeschiedenis begint in 1838. Toen opende in het stadhuis het Stedelijk Museum voor Oudheden: een verzameling voorwerpen, tekeningen en schilderijen die allemaal iets vertelden over Utrecht. Daarmee is het Centraal Museum het oudste stedelijke museum van Nederland.
In de decennia daarna groeide de collectie. Stadsarchivaris Samuel Muller speelde daarin een belangrijke rol. Hij droomde van één centraal museum waarin verschillende Utrechtse collecties samen ondergebracht konden worden. Het voormalige Agnietenklooster bleek daarvoor de juiste plek.
Op 1 augustus 1921 opende het Centraal Museum officieel aan de Agnietenstraat. De naam verwijst naar het idee achter het museum: een centrale plek waar kunst, geschiedenis, mode, vormgeving en erfgoed van de stad Utrecht samenkomen.
In 1987 worden deze stallen verbouwd naar een ontwerp van architect Mart van Schijndel en onderdeel van de tentoonstellingsruimten van het Centraal Museum.
We noemen de tentoonstellingsruimten nog steeds 'De Stallen', een verwijzing naar de periode waarin het complex als kazerne werd gebruikt.
Nieuwsgierig naar onze organisatie? Lees meer over onze geschiedenis, medewerkers en duurzame ambities.