De laatste decennia is de aandacht voor erfgoed enorm gegroeid. Gerrit Rietveld (1888 - 1964) is een interessant voorbeeld van deze ontwikkeling. Enkele van Rietvelds ontwerpen zijn niet meer uit ons collectief geheugen weg te denken, terwijl we andere ontwerpen massaal vergeten zijn. Het Centraal Museum toonde van 27 juni t/m 20 september 2009 een klein overzicht van Rietvelds meest bekende, iconische meubels. Hierbij kwam het gebruik van zijn ontwerpen en de merchandising daarvan aan bod. Naast het overzicht van de meubels waar Rietveld icoon voor staat, werd er ook aandacht besteed aan het deel van het architectonische oeuvre dat niet zozeer in de schijnwerpers heeft gestaan.

Rietvelds reputatie en zijn niet-iconisch werk
Hoewel Rietveld meer dan 350 meubelontwerpen en zo’n 100 uitgevoerde gebouwen op zijn naam heeft, dankt hij zijn wereldfaam voornamelijk aan twee van zijn vroegste scheppingen: de rood-blauwe stoel uit 1918 en het Schröderhuis in Utrecht uit 1924. De beroemdheid van het Rietveld Schröderhuis heeft Rietvelds architectonische oeuvre altijd overschaduwd, terwijl hijzelf andere idealen had. Andere ontwerpen van Rietveld, zowel meubilair als architectuur, kregen pas later of helemaal geen waardering. De tentoonstelling ‘Iconen van Rietveld’ besteedde ook aandacht aan dit niet-iconische thema. De zogenaamde kernhuizen, in serie te bouwen eenvoudige woningen voor de massa, vormden voor hem het ideaal. Een groot deel van zijn leven heeft hij besteed aan het ontwerpen van arbeiderswoningen, maar dit aspect heeft nooit zozeer in de schijnwerpers gestaan. In ‘Iconen van Rietveld’ was daarom een deel van dit architectonische oeuvre te bewonderen in de vorm van maquettes.

Omgang met Rietvelds Erfgoed
In Utrecht wordt veel architectuur van Rietveld gebruikt en bewoond, bijvoorbeeld flatwoningen in de Utrechtse wijk Tolsteeg. Deze worden tegenwoordig aangeprezen met de toevoeging ‘ontworpen onder architectuur van Rietveld’.