Elizabeth de Vaal (Rotterdam, 1950) behoort tot de generatie kunstenaars die zich in de tweede helft van de jaren zeventig van de vorige eeuw heeft gevormd en die in het begin van de jaren tachtig op de voorgrond is getreden. Na eenmanstentoonstellingen in galeries en wat kleinere musea werden in 1986 twee grote overzichtstentoonstelling aan haar werk gewijd, een in het Arnhemse gemeentemuseum en een van 22 maart tot en met 4 mei 1986 in het Centraal Museum.

Over haar schilderijen schreef L. Brozek-Dolezal, indertijd conservator moderne kunst bij het Centraal Museum, dat bij De Vaal de eigen relatie tot haar omgeving en het persoonlijke verwerken van emoties, associaties en spanningen een belangrijke rol speelt. “(…) Ze zoekt heel doordacht en behoedzaam, ze overweegt haar mogelijkheden en ze streeft naar een zeker evenwicht van het gezegde en het niet-gezegde, van het figuratieve en het abstracte, van de gedachte en het gevoel.”

De essayist en criticus Cyrille Offermans schreef naar aanleiding van de tentoonstelling: “(…) wil het feit dat we dingen via afbeeldingen zo moeiteloos herkennen niet zeggen dat die dingen zich voor ons tot beelden hebben verzelfstandigd die zich van die dingen niets meer hoeven aan te trekken? (…) Ik denk dat Elizabeth de Vaals schilderijen pogingen zijn om door die korst van alles benoembare woorden, door dat scherm van alles zichtbaar makende beelden heen te breken, in de hoop op een werkelijkheid te stuiten die, haast door iedereen vergeten, onder die woorden en die beelden bedolven is geraakt.” In de gesprekken die Offermans met De Vaal had gevoerd, viel het hem op dat zij meer dan eens het woord ‘hiaat’ gebruikte. Het essay van Offermans in de catalogus bij de tentoonstelling kreeg dan ook de titel Schrijnende hiaten mee. Ze gaf daarmee aan dat ze, zeker vroeger, altijd het gevoel had gehad dat ze bepaalde essentiële dingen niet begreep, niet wist, gemist had en nog steeds miste. “Aanvankelijk moet ze het geloof hebben gehad dat ze dat gemis via een opleiding of veel lezen zou moeten kunnen opheffen.” Maar wat ze als een hiaat ervoer, was de ervaring niet opgenomen te zijn in een zinvol sociaal continuüm, de ervaring te leven in een tijd die werkelijk bezig is alle banden met het verleden door te snijden, met alle leegte die daarvan het gevolg is. Offermans zag in haar werk een reactie daarop: niet willen leven met die leegte.

Opvallend vaak wordt in het essay omschreven wat niet op De Vaal van toepassing zou zijn. Zo is ze niet een soort (neo)classicist. Voor haar gelden idealisme en harmonie van de klassieke kunst niet als verplichtend voorbeeld. Die klassieke kunst vormt voor haar niet enkel een intellectueel referentiekader. Ze is geen eclecticus, en ook niet het type van de demonterende kunstenaar. Van postmodernistische ironie is in haar verhouding tot het verleden geen sprake. Zie je in haar werk historische naïviteit, dan is dat geen pejoratieve kwalificatie. En, ten slotte, haar mannenbeelden zijn geen “(…) gestaalde, emotieloze heroïsche beelden op de massieve defileerplaatsen van de nazi’s.” Maar dat gold en geldt voor veel van haar collega's.

Documentation

  • Schrijnende hiaten : notities bij schilderwerk van Elizabeth de Vaal uit de periode 1973-1985, Cyrille Offermans, Centraal Museum (Utrecht, 1986) (32 p.)

Collection in this exhibition

Questions?

Do you have a remark or extra information on this exhibition? Please let us know!