Go to main content

Rekenpenning Staten van Utrecht

Rekenpenning Staten van Utrecht
Title
Rekenpenning Staten van Utrecht
Dating
1661
Object type
rekenpenning
Object number
1456/001

Anoniem Utrechts

View full profile
Materials
brons
Technique
brons, geslagen
Dimensions
  • diameter 3.6 cm
Acquisition
onbekend (voor 1878)
Keyword
wapen
Inscriptions and marks
omschrift keerzijde: SOLI . DEO . STVDETO . ..TERITAT, omschrift voorzijde: LABORE ET INDVSTRIA, opschrift voorzijde: 1661
Notes
  • De voorstelling op deze penning doelt op het inhalen van de Amersfoortse kei. Hieraan is onverbrekelijk de naam van jonkheer Everard Meyster verbonden. Hij leverde de stad een grap, waar deze vele jaren om is uitgelachen en bespot. In de omgeving van de stad had Meyster een forse zwerfsteen ontdekt. Hij wedde met zijn vrienden dat hij de burgerij van Amersfoort zo gek zou krijgen dat zij het gevaarte eigenhandig de stad in zou slepen, en dit lukte inderdaad. Met behulp van veel bier en verse krakelingen kreeg de grapjonker 400 Amersfoorters zo ver. Zij sleepten onder groot enthousiasme de kei naar de Varkensmarkt. Het enthousiasme was echter van korte duur, want overal werden de keitrekkers belachelijk gemaakt met spotverzen en spotprenten. In 1672 begroeven de Amersfoorters de kei op de Varkensmarkt. Pas in 1903 groef men hem weer op en stelde men hem ten toon. Op de voorzijde van de penning de Amersfoortse kei met de naam Meyster als monogram, staande op een voetstuk, met flambouwen aan weerskanten, en bovenaan het wapen van Amersfoort. Op de keerzijde het gekroonde wapen van Meyster. Zie Van Loon, deel II, p. 492, nr. 2.
Rights
Public domain
Documentation
Catalogus van het Museum van Oudheden [1878], door S. Muller Fz.. S. Muller Fz., J.L. Beijers (Utrecht, 1878) (1878), XV, 237 p.
Catalogus van het Museum van Oudheden [1904], door S. Muller Fz.. S. Muller Fz., W. Leijdenroth (Utrecht, 1904) (1904)
Catalogus van het Historisch Museum der stad [1928: munten, penningen en zegels], inl. W.C. Schuylenburg. [samenst. C.H. de Jonge], Kemink en Zoon (Utrecht, 1928), VII, 734 p.