De Haagse schilder en dichter Willem Hussem (1900-1974) heeft in de ruim 50 jaar dat hij actief was als schilder, in een aantal stijlen gewerkt. Naar Van Gogh in de jaren twintig; op een braaf realistische wijze in de jaren dertig; in de stijl van Picasso, zoals vele anderen, in de oorlog en vlak daarna, en vanaf 1950 op een wijze die nu eens invloeden vertoonden van Cobra en dan weer van de Oosterse kalligrafie. In de jaren zestig maakte hij schilderijen die duidelijk verwant waren aan het werk van Rothko, De Staël en Malevitsj.

Na de Tweede Wereldoorlog werd de naam van Hussem in Nederland een begrip. Toen begon hij tot de avant-garde te behoren. Hij had overzichtstentoonstellingen in het Haags Gemeentemuseum, de Rotterdamse Kunstkring, het Van Abbemuseum in Eindhoven, het Princessehof in Leeuwarden en diverse galeries en kunstzalen. In 1960 nam hij deel aan de Biënnale in Venetië. Daarnaast behaalde hij in de jaren vijftig driemaal de Jacob Marisprijs: in 1952 en 1955 voor de schilderkunst en in 1958 voor de tekenkunst. In 1965 ontving hij zowel de Jacob Hartogprijs voor beeldende kunst als de Jan Campertprijs voor poëzie. Overigens leverde de toekenning van de prijs in 1958 een ongekende stortvloed aan protesten op. Enkele maanden achter elkaar was de bekroonde tekening onderwerp van talloze ingezonden brieven; kunstcritici gebruikten kwalificaties als toevalskunst, lachwekkend geklieder, symbool van cultuurverwording, zinledig gemors met inkt, boerenbedrog van het ergste soort; "schande over hen" die de prijs hadden toegekend, meende Willem Maris' kleindochter. Enkele jaren later ontwierp hij omslagen voor de serie Meesters der Vertelkunst van uitgeverij Meulenhoff vanuit eenzelfde kalligrafisch concept - zonder zelfs maar een rimpeling in een glas water teweeg te brengen.

Zijn werk was dus niet zonder respons. Desondanks meende een groep van Hussems vrienden in 1973 dat er met zijn persoon slordig was omgesprongen. Zij achtten het noodzakelijk aan zijn oeuvre meer bekendheid te geven en tevens zijn plaats in de Nederlandse kunst na 1945 te bepalen. In die periode bewoog zijn werk zich steeds uitersten: tussen handwerk en visie, tussen abstractie en concreetheid, tussen minimaal en complex. Zo kwam in 1977 een tentoonstelling in het Museum Boymans-Van Beuningen tot stand; bij de voorbereidingen overleed Hussem.

Een doctoraalscriptie over Hussem van Cato Cramer was voor het Centraal Museum een goede aanleiding om een uitgebreidere overzichtstentoonstelling te organiseren, met ongeveer 60 schilderijen en 40 tekeningen. Deze tentoonstelling werd gehouden van 14 april tot en met 11 juni 1984; daarna verhuisde ze naar de Vishal van het Frans Halsmuseum.

In 2011 werd de restauratie voltooid van de enige wandschildering die van hem bewaard is gebleven (Zuiderpark HBS in Den Haag).

Documentatie

  • Willem Hussem : de kracht van de penseelstreek, Cato Cramer, Centraal Museum (Utrecht, 1984) ([4], 80 p.)

Collectie in deze tentoonstelling

Vragen?

Ziet u een fout? Of heeft u extra informatie over dit tentoonstelling? Laat het ons weten!