- Techniek
- zilver
- Afmetingen
- lengte 35 cm
- breedte 13 cm
- gewicht 208 gr
- gehalte
- Verwerving
- overdracht (1926)
- Opschriften en markeringen
- keurmerk op achterzijde steel: Den Haag (ooievaar), provinciale keur op achterzijde steel: provinciale keur Hollandse leeuw, jaarletter op achterzijde steel: O (O=1760), meesterteken op achterzijde steel: G.T in een ovaal, wapen op achterzijde steel (gegraveerd): het wapen van de Staten van Utrecht
- Opmerkingen
- Afkomstig van de inboedel van het voormalig Utrechts Statenjacht (na 1801 Stadsjacht). De geschiedenis van de Utrechtse Statenjachten begint op 13 december 1664, wanneer de Haer Edelmogende Heren besluiten `omme te doen maken een bequaem jacht omme geemployeert te worden te water ten dienste van Haren Ed: mo: off derselver Gecommitteerden...'. Het vaartuig werd in de achttiende eeuw voornamelijk gebruikt voor het schouwen en beveiligen van de binnenwateren, voor vervoer van Heren Gedeputeerden en hun commissies en voor vermaak en spelevaren van particulieren die het jacht konden huren (zie: A. Graafhuis, 'Statenjachten en stadsjacht van Utrecht', Jaarboekje van Oud-Utrecht (1960), p.144-145). In 1758 werd het vaartuig vervangen door een nieuw jacht. Aan het eind van de eeuw besloten de Statenleden dit weer te verkopen en een ander jacht aan te schaffen. Vanwege de hoge kosten werd dit jacht van de hand gedaan en op 14 februari 1801 werd de stad Utrecht de nieuwe eigenaresse. De inboedel werd apart aangekocht. Voor het zilverwerk betaalde de stad ruim 555 gulden (Graafhuis 1960, pp.150-151). Vanaf 1703 bleef van de Statenjachten allerlei tafelzilver bewaard (zie inv. nrs. 5319, 5320, 5321/001-002, 5322/001-014, 5324/001-006, 5325/001-006, 5326/001-002, 5327/001-006 en 5328).
- Rechten
- Publiek domein